
Terugdraaiende teller behouden of digitale meter plaatsen: wat is het voordeligst?
Eigenaars van zonnepanelen en een terugdraaiende teller kunnen de plaatsing van de digitale meter uitstellen tot 1 januari 2025. Die optie geniet de voorkeur van veel prosumenten, maar is het bij de huidige hoge energieprijzen wel de aangewezen keuze? Mijnenergie.be zocht het uit.
Uit de marktmonitor van de Vlaamse energieregulator VREG blijkt dat het aandeel consumenten dat (zeer) negatief staat ten opzichte van de digitale meter vorig jaar aanzienlijk steeg, van 22 procent in 2020 naar 30 procent in 2021. Zonnepaneleneigenaars zijn het sterkst gekant tegen de digitale meter. Zij vrezen namelijk dat het verdwijnen van de terugdraaiende teller voor hen een financiële domper betekent. Logischerwijze kiest een groot deel van die gezinnen ervoor om de plaatsing van de digitale meter uit te stellen tot 2025.
Energiemarkt door elkaar geschud
Simulaties uit het verleden wezen uit dat eigenaars van een terugdraaiende teller aan het einde van de rit de laagste energiefactuur betalen. Ondertussen is de energiemarkt evenwel grondig door elkaar geschud. Want niet alleen de verbruiksprijzen stegen fel, ook de vergoeding die je met een digitale meter ontvangt voor je overtollige stroom, ging fors de hoogte in.
Om de voordeligste keuze te bepalen, gaan we uit van de gemiddelde verbruiksgegevens volgens de VREG. Onze simulatie baseert zich op een zonnepaneleninstallatie met een piekvermogen van 3,7 kilowattpiek en een stroomproductie van 3.500 kWh. De terugdraaiende teller kan op die manier volledig naar nul terugdraaien. Voor de digitale meter bedraagt het zelfverbruik 36 procent. We hanteren de laagste tarieven via Mijnenergie.be.


